Tips, trucs en handleidingen

     Basisregels voor het afstellen van een recurveboog

Vooral voor de beginnende schutter is het soms moeilijk om te bepalen wat de juiste boog setup is nadat je een poos met een verenigingsboog hebt geschoten. Ongetwijfeld heb je hier en daar wel al wat termen als peeshoogte, tiller en nokpunt gehoord.

Op een verenigingsboog zijn deze zaken al allemaal afgesteld op een standaard setting, maar wanneer je een eigen boog aanschaft zul je de boog toch moeten afstellen op je eigen fysiek en schietstijl. Om daarbij te helpen volgt nu een tamelijk eenvoudige uitleg hoe je de boog schietklaar kunt afstellen en geeft het inzicht in de verschillende termen.

Er vanuitgaande dat je in elk geval bekend bent met de onderdelen waaruit een gangbare recurveboog bestaat (Middenstuk,latten en pees) beginnen we met het bepalen van de peeshoogte en de tiller van de boog.

Image result for recurveboog

-PEESHOOGTE-

De peeshoogte kun je zelf afstellen. Dit doe je door de pees meer of minder op te draaien.Een pees moet altijd een beetje opgedraaid zijn. Dit om te voorkomen dat de pees tijdens de los als het ware uit elkaar vliegt. Een pees hoort standaard rond de 20 slagen opgedraaid te zijn.

Er is verschil tussen linkse en rechtse schutters! De pees moet voor linkse schutters linksom opgedraaid zijn, en voor rechtse schutters rechtsom. dit om losdraaien tijdens het lossen te voorkomen.

Je meet de peeshoogte met een peeshaak vanuit het diepste punt in de boog; het handvat. Een vuistregel voor het bepalen van de juiste peeshoogte is:

Booglengte 66 inch       Peeshoogte 21,5 cm

Booglengte 68 inch       Peeshoogte 22,0 cm

Booglengte 70  inch      Peeshoogte 23,0 cm

Begin met de voorgeschreven peeshoogte, later kun je nog fijnafstellen. Houd hierbij in gedachten dat meer slagen een sneller, maar moeilijker controleerbaar schot geeft. Dit omdat je meer spanning op de latten krijgt en dus meer ponden trekt bij dezelfde treklengte, en minder slagen een trager en dus ook moeilijker controleerbaar schot oplevert omdat je pees te weinig spanning heeft en dus kan gaan slaan. Ga dus niet zomaar slagen erbij of eraf draaien! Hier blijkt dus dat het heel belangrijk is om de juiste peeslengte te gebruiken, zodat je tijdens het opdraaien niet teveel afwijkt van de 20 slagen standaard om de juiste peeshoogte te bereiken. Blijf in ieder geval ruim tussen de 10 en 40 slagen!

Controleer regelmatig of je peeshoogte nog klopt. Vaak gaan er bij het op- en afspannen slagen af of bij.

Meest gangbare peeslengtes:

64 inch boog = 162,56 / 154 cm pees / 8,56 cm korter dan de boog

66 inch boog = 167,64 / 159 cm pees / 8,64 cm korter dan de boog

68 inch boog = 172,72 / 164 cm pees / 8,72 cm korter dan de boog

70 inch boog = 177,80 / 169 cm pees / 8,80 cm korter dan de boog

72 inch boog = 182,88 / 174 cm pees / 8,88 cm korter dan de boog

Een ander belangrijk punt is de lengte van de serving. Als je een nieuwe pees koopt of maakt, is het belangrijk dat de serving even lang is als op de oude pees. Het verschil zit hem in de massa. Ook al is het maar een heel klein verschil, door een langere serving wordt de pees zwaarder. Omdat er meer energie nodig is om een grotere massa te verplaatsen, zal de pees trager worden. Hierdoor kan er dus een hoogteverschil in uw vizierstand optreden. Het verschil kan gemakkelijk oplopen tot een verschil van twee tot drie ringen op het blazoen! Het gebruikte peesmateriaal en aantal draden hebben eenzelfde invloed. Weet dus welke pees je op je boog hebt als je aan een nieuwe toe bent.

-TILLER-

De tiller is het verschil tussen de afstand van de lat tot de pees net boven het middenstuk en de afstand van de lat tot de pees net onder het middenstuk. Dit verschil is nodig omdat het handvat onder het midden van de pees zit, en de pijl erboven, en de spanning op de onderste en bovenste lat daarom niet gelijkmatig verdeeld is wanneer je de boog spant. Door de tiller af te stellen, compenseer je dit verschil. Dit  geeft een rustiger en daardoor accurater schot.

Voor mensen die met drie vingers onder de pijl schieten moet de tiller ongeveer 1 – 2 mm zijn. (barebow)

Voor mensen die met een vinger boven de pijl schieten moet de tiller 4 – 7 mm zijn. (vizier, met harde tab)

Vuistregel is dat de afstand onder het nokpunt korter moet zijn dan die boven het nokpunt, en nooit andersom!

Hier komt wederom de peeshaak van pas! zorg dus dat je in het bezit van zo’n ding komt.

De tiller is niet bij alle bogen af te stellen, dus concentreer je allereerst op de juiste peeshoogte.

Bij de meeste beginnersbogen is de tiller ingecalculeerd bij het maken van het middenstuk, en dus niet te verstellen zonder kunstgrepen (Hardkunststof plaatjes tussen de lat en het middenstuk plaatsen). Ga dit niet zomaar op eigen houtje uitproberen, het kan de boog/schutter schaden.

Bij de wat duurdere modellen bestaat er vaak een schroefmechanisme waarmee de tiller af te stellen is. Laat je helpen door een ervaren medeschutter wanneer je de tiller wilt gaan afstellen.

Image result for pijlsteun recurveboog Image result for pijlsteun recurveboog

-NOKPUNT-

Een nokpunt is een eenvoudige markering of een voorwerp dat op de pees van een boog wordt geplaatst. Het dient ervoor om de pijl iedere keer vanaf dezelfde plaats op de pees weg te schieten.

Het meten wordt wederom gedaan met de peeshaak. Er zijn verschillende mogelijkheden om een nokpunt te maken:

– Messingring (de bekendste). Makkelijk te (ver)plaatsen maar relatief zwaar, maakt de pees trager.

– Geknoopt met een stukje servingdraad. (tandflos zou ook kunnen) licht, pees blijft snel.

Het is belangrijk de juiste plaats voor het nokpunt te bepalen om een ongecontroleerde pijlvlucht te voorkomen.

Let op! De tiller-afstanden moeten eerst worden gecontroleerd en eventueel worden gecorrigeerd.

Alle nokpunt-instellingen worden gemeten vanaf het nulpunt (= 90 graden) op je pees met de peeshaak. Over het algemeen geldt dat de nokpunthoogte (in mm boven 90 graden) ongeveer gelijk is aan de tiller, maar de precieze afstelling van het nokpunt is alleen te bepalen door uitvoerig testen en aanpassen, ga in het begin uit van het volgende:

Instellingen voor de diverse soorten pijlsteun:

– Stick-On Rest zonder button (een opplakpijlsteun).

Bevestig de peeshaak zo dat het nog net de bovenkant van de steun raakt. Plaats de onderkant van de nokring op 5/16″ (= 7,9 mm) boven het nulpunt. Dit is een goed uitgangspunt.

– Plunger Style Rest (verstelbare pijloplegger met verstelbare button)

De afstand wordt gemeten vanaf het midden van de plunger (button), omdat het midden van de pijl altijd daar tegen de button steunt, mits de pijlsteun correct is afgesteld. Stel de onderkant van de nokring op 3/16″ (= 4,8 mm) boven het nulpunt. Dit is een goed uitgangspunt.

Nadat je al deze basisinstellingen hebt gedaan kun je pas bepalen welk type en lengte pijl past bij jou en je boog!

-PIJLLENGTE-

Als uitgangspunt voor de pijllengte zijn vele formules en trucs. Ga er om te beginnen maar vanuit dat de pijllengte meestal je treklengte + een inch is. (pijllengte gemeten vanuit de nok tot einde schacht. punt niet meetellen!) Je treklengte kun je eenvoudig bepalen met behulp van een medeschutter.Leg een te lange pijl op de oplegger en trek de boog uit tot jouw ankerpunt, en laat de medeschutter het punt waar de pijl tegen de button of plakoplegger aanligt markeren met een stift. Doe dit vier of vijf keer om een goed gemiddelde te bepalen. De afstand van je nok tot het streepje is je treklengte.Tel hier een inch (2,54 cm) bij op, en je hebt je pijllengte.

Nu je de pijllengte weet, kun je met behulp van de Easton arrowchart die op de schietvereniging hangt,of via het gratis te downloaden programma van de easton website uitrekenen welke pijlen in aanmerking komen om door jou te worden geschoten.  (deze gaat namelijk uit van de pijllengte, en niet de treklengte zoals veel mensen denken! let hier dus goed op.) Hiervoor moet je ook het trekgewicht van jouw boog weten. Vaak staat het theoretisch trekgewicht op de onderste lat weergegeven. (uitgegaan van een treklengte van 28 inch) Het is echter altijd aan te raden om het daadwerkelijke trekgewicht op de vereniging op te laten meten met de unster om een juiste pijlkeuze te kunnen maken.

-EINDAFSTELLING-

Mensen die een button hebben kunnen nog wat extra afstellen door de button in of uit te draaien; (met de button is nog meer aan de pijlvlucht te verstellen maar valt onder fijnafstellen, daarover heb ik eerder al een artikel geschreven, en laat ik daarom even achterwege.) Een punt van een aluminiumpijl moet ongeveer 2/5 tot 3/4 schachtdikte buiten de pees liggen. Naar buiten wil zeggen; van het venster af. Dit is voor rechtse schutters dus links langs de pees, en voor linkse schutters rechts langs de pees.

Voor Carbon/ACC/ACE geldt dat de pijlpunt 3/5 tot 1 schachtdikte buiten de pees moet liggen.

Heb je een opplakpijlsteun, dan gaat de pijlpunt dichter naar de pees toe door de oplegger naar voren te plakken (naar de pijlpunt toe). En verder van de pees door hem verder naar achteren te plakken. (naar de schutter toe) Dit geldt voor links- en rechtshandige schutters.

Nu je de juiste pijl bij je goed afgestelde boog hebt, kun je je vizier gaan afstellen. Heb je geen vizier? Gefeliciteerd! Je kunt gaan schieten!

Uitersten waarmee je rekening moet houden bij het afstellen.

Grotere of kleinere waarden leveren onvoorspelbare en mogelijk gevaarlijke situaties op!

tiller: maximaal 3/8″ (0,95cm) onder altijd minder dan boven.

peeshoogte: 21cm – 23.5cm max (bij een 70″ boog)

peeslengte: afhankelijk van top/top lengte van de boog, let hier goed op!

nokpunt: maximaal 3/8″ (0,95cm) boven haaks, gemeten van het middelpunt van de oplegger.

Delen van deze tekst zijn afkomstig/afgeleid van de online handleiding van de heer v/d Wiel.

Het arrowselector programma (en een complete tuningguide) kun je downloaden via:

http://www.eastonarchery.com/downloads

Veel tuning- en schietplezier!

 


 

Handleiding veldschieten

Deze handleiding is geschreven om de discipline veldschieten nog meer bekendheid te geven en toegankelijker te maken voor de beginnende handboogsporters veld.
Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de schutters bekend zijn met de discipline doelschieten.

Met dank aan:

Auteurs van de tekst:
Tom Bill
Edwin de Ligter
Ludo de Greef

1 INLEIDINGIn Nederland kent men verschillende discipline binnen de handboogsport o.a. doelschieten, zowel indoorals outdoor, veldschieten en cloutschieten. Dit alles in nationaal als internationaal verband. Zowel inNederland als in het buitenland is de discipline Veldschieten erg populair. Om de discipline veldschietennog meer bekendheid te geven en toegankelijker te maken voor de beginnende handboogsporters veld.Willen wij middels deze handleiding veldschieten sommige “geheimen” van het veldschieten trachten uitte leggen. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de schutters bekend zijn met de discipline doelschieten.Voor de schutters die voor het eerst een veldronde schieten is de basis hetzelfde als doelschieten en inde meeste gevallen kan men constateren dat een goede doelschutter ook een goede veldschutter is.Maar zoals omschreven in deze handleiding zal men merken dat men met een paar dingen wel degelijkrekening dient te houden, wanneer men aan veldschieten begint:- Schietposities / schietafstanden- Schieten in verschillende wind- en lichtval-omstandigheden- Het schatten van afstanden- Het herkennen van verschillende blazoenen, blazoengrootte en hun positie in het veld- De techniek van het naar boven en naar beneden schieten- Plannen van een veldparcours- Kleding en schoeisel- Voeding en drank keuze- Pijlvlucht en competitie spanning
 
1.1StylenBinnen het veldschieten zijn alle stijlen geaccepteerd:- Compound- Olympisch (recurve)- Barebow- LongbowIn de compound klasse wordt er meestal met een scope en een release geschoten. De schuttergebruiken dezelfde set-up als bij het doelschieten. In Nederland wordt er geschoten zonder restricties. Ditbetekent dat er geen elektronische hulpmiddelen gebruikt mogen worden en dat er een trekgewicht limietis van 60 pond.De olympische klasse wordt geschoten, zoals bij het doelschieten gebruikelijk is.Bij de barebow wordt er geschoten met een recurve boog zonder vizier en stabilisatie. Daarbij maakt deschutter gebruik van verschillende richttechnieken. De schutter maakt gebruikt o.a. de punt van zijn / haarpijl of de pijlsteun / venster als richtmiddel. De barebow schutter kan bepaalde technieken gebruiken voorhet schieten van bepaalde afstanden, zoals o.a. het verplaatsen van de vingers op de pees. Dezetechniek het “stringwalking”, wordt het meeste toegepast. Hoe dichter bij het doel, hoe lager de vingersop de pees (de pijl komt dan dichter bij je oog). Als het doel verder staat, pak je de pees met je vingershoger.

Een andere manier die gebruikt wordt, is die waarbij je je trekhand steeds op een andere plaats op jegezicht ankert. Dicht bij het doel, anker je dicht bij je oog, verder weg van het doel anker je bij je kin. Ditheet “face walking” en bij deze techniek moet je veel op gevoel schieten. Het is moeilijk en nietbetrouwbaar. Tevens vergt het veel training en ervaring. Verder is er een combinatie van “string walking”en ” face walking”, hierbij neemt men 2 a 3 ankerpunten en combineer je deze met verschillendevingerhoogten op de pees.Als laatste is er ook een combinatie van “stringwalking” en “gap-shooting”. Deze techniek wordt steedsmeer toegepast en is ongeveer hetzelfde als stringwalking, maar dan veel eenvoudiger. Je neemt voorieder blazoentype een bepaalde plaats op de pees, het blazoen bepaald de plaats waarop je je vingersop de pees plaatst. Je hebt hierdoor maar vier plaatsen voor je vingers op de pees en een vast ankerpuntop je gezicht.Op lokale toernooien, zul je barebow schutters zien die de traditionele longbow schieten, waarbij zij nietrichten, maar schieten op hun instinct, zoals het gooien van een bal. Dit heet “instinct shooting”.CompoundRecurveBarebow

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2 BASIS VELDSCHIETENHet veldschieten is verschillend t.o.v. het doelschieten zoals besproken op de vorige pagina. Hierbijspringen de volgende aspecten er het meeste uit.

 

2.1 Schiet afstandenBij het outdoor doelschieten wordt er alleen gebruik gemaakt van bekende afstanden. nl. 90/70, 70/60, 50en 30 meter. Hierbij zijn de 70 en 90 meter verder dan de maximale afstand bij veldschieten.De veldschutter schiet op zowel bekende als onbekende afstanden. Deze liggen tussen de 5 en 60meter. De schutter zal hierdoor veel moeten trainen op diverse afstanden en ook zal hij / zij moetentrainen op het leren schatten van diverse afstanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

2.2 SchietpositiesBij het doelschieten wordt er geschoten op een vlak terrein en de schietpositie blijft vrijwel gelijkgedurende de gehele wedstrijd. Bij het veldschieten, schiet men naar boven en naar benden metverschillende schietafstanden. De schietpositie is vanaf een heuvel of een berg. Veldschutters moetenom deze reden dus op verschillende schietposities moeten trainen.

 

 

 

 

 

 

 

 

2.3 PijlvluchtVoor het doelschieten is de pijlvlucht op een gegeven afstand altijd gelijk en wordt deze alleen beïnvloeddoor het weer (regen en wind). Bij het veldschieten zal de pijlvlucht op een gegeven afstand verschillendzijn. Dit komt o.a. door de hoek van het schot. Een veldschutter moet door ervaring precies wetenhoeveel meter er van de afstand afgehaald of bijgeteld moet worden, om de invloed van deaantrekkingskracht van de aarde op de pijlvlucht te compenseren.

 

 

 

 

 

 

 

2.4 Competitie spanning Doelschieten wordt ten alle tijden dichtbij de deelnemers en toeschouwers geschoten. Hierbij kan dedirecte uitslag verwerking de spanning opvoeren. Veldschutters schieten in groepen geïsoleerd van hundirecte tegenstanders. De veldschutter heeft de tendens om minder spanning te hebben tijdens dewedstrijd, uitgezonderd gedurende de finale rondes.

 

 

 

 

 

 

 

2.5 Licht en wind condities Tijdens het doelschieten zijn de licht en wind condities meer stabiel of veranderen geleidelijk gedurendehet toernooi. Bij veldschieten daar aantegen, veranderen de licht- en windcondities van doel tot doel.Door het variërende terrein zijn constante wind condities zeldzaam. De veldschutter zal moeten trainen inverschillende condities, zowel weer als terrein, om te weten te komen wat voor invloed het heeft opzijn / haar richten en schieten.

 

 

 

 

 

 

 

2.6 Planning De doelschutter heeft al zijn / haar spullen binnen handbereik. De veldschutter zal wat hij / zij denkt aanmateriaal nodig te hebben, zelf mee moeten dragen. De veldschutter zal uit moeten proberen en plannenwat hij / zij meeneemt m.b.t. kleding / schoeisel / voeding / drinken / reserve materialen etc. omvoorbereid te zijn op het “onverwachte”

 

 

 

 

 

 

 

3 SCHIETPOSITIES

3.1Houdingen

De basis positie is hetzelfde als de “T” positie bij het doelschieten.Voor geringe hoogtes met de voeten op gelijke positie.Duw je je heupen iets naar voren, voordat je je boog uittrekt. Kantelenzodat de “T” positie gehandhaafd blijft.

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het gering naar beneden schieten met de voeten op gelijke positie.Heupen wegduwen van het doel, voordat je je boog uittrekt.Houdt het bovenlichaam en schouders in de “T” positie.Steile schoten omhoog, op korte afstand.Heupen naar voren voordat men de boog uittrekt

 

 

 

 

 

 

Steil naar beneden, op korte afstand.Je opent de voet positie, heupen naar achteren en bovenlichaam gestrektvoordat je de boog uittrekt.Des te steiler het schot, des te meer met een “open stand” schieten.Naar boven schieten met een geleidelijke stijging. Voeten uit elkaar en deheupen naar het doel toe bewegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Steil naar beneden, op korte afstand.Je opent de voet positie, heupen naar achteren en bovenlichaam gestrektvoordat je de boog uittrekt.Des te steiler het schot, des te meer met een “open stand” schieten.Naar boven schieten met een geleidelijke stijging. Voeten uit elkaar en deheupen naar het doel toe bewegen.Naar beneden schieten met een geleidelijke daling.Voeten uit elkaar (ver), heupen weg van het doel duwen.Heel steil naar beneden schieten zal er zonodig toe leiden dat men, om meerstabiliteit te verkrijgen, op de achterste knie zal moeten steunen.

 

 

 

 

 

Voorbeeld van veel gemaakte fouten.Een gebogen knie geeft een onstabiele houdingHeupen niet ver genoeg ingebogen geeft een verkeerde schouder- en armpositie.Dit resulteert in een kortere treklengte en vermoedelijk een slechte los van hetschot.Steile tot zeer steile naar boven gerichte schoten zullen er in sommige gevallentoe leiden dat men stabieler staat, als men op de voorste knie steunt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer je op een doel schiet, dat geplaatst is op een helling, is het hoogstwaarschijnlijk dat men het doel raakt op de benedenwaartse gerichte zijde vanhet doel.Het waarschijnlijk ontstaan van de naar beneden gerichte zijde groepering isdat je “leunt” en dat de boog daardoor overhelt en de hoek van het doelaanneemt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer je op een helling staat hebben schutters de neiging om naar beneden”te vallen” bij het lossen van het schot.Of er helemaal naast te schieten, doordat men verzuimt het vizier te verstellenbij het schieten. Alleen men gaat hoger schieten bij de volgende pijl. In hetgeval van de barebow schutter die een hoger richtpunt hebben de boogoverhellen richting benedenhelling.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2Praktische tips voor het schieten op een hellingProbeer een vlak stuk ondergrond te vinden.Je hebt het recht om je zowel een klein stukje achter als rechts en links vande schietpost te begeven, zolang je je medeschutter niet hindert.Bereid je schot voor door de bovenkant van je boog tegen de helling te laten”leunen”. Bij uitgetrokken boog controleert men de uitlijning met bijv. eenboom of een denkbeeldige lijn door het doel of blazoen.Compound schutters controleren hun waterpas.Begin altijd met het “leunen” van de boog tegen de helling. Dit verminderd deneiging om de boog met de schuinte van de helling mee te laten gaan.Lijn je lichaam in een verticale positie uit en wees er van overtuigd dat menniet leunt van de helling af.Als het onmogelijk blijkt om je lichaam verticaal uit te lijnen en dat de boogoverhelt, zal men er genoodzaakt zijn iets te kantelen en te richten naar detegenover gestelde zijde van de overhelling. Des te langer de afstand des temeer zal men moeten kantelen en het richtpunt moeten verleggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4 AFSTAND SCHATTEN

4.1 Hoe schat men afstanden

Bij het schieten van een FITA Field (onbekende afstanden) of een “Forest round” zal men afstandenschatten van doelen die men nog nooit eerder heeft gezien. Voor de meeste veldschutters is deze takvan sport het meest uitdagende van het veld schieten. Als men een veldwedstrijd wil winnen zal men zeerbekwaam moeten zijn in het schatten van afstanden. Wat wederom weer inhoudt dat men hier veel opmoet oefenen.Al is het begin moeilijk onthoud, alle veldschutters zijn begonnen zonder enigerlei ervaring en het is nietzo moeilijk als men denkt. De meeste schutters zitten er na een paar keer uitproberen en oefenen vrijdichtbij. Onthoud wel dat zelfs de beste, de topschutters, wel eens van de wijs worden gebracht en in de”maling” worden genomen.Er worden veel technieken gebruikt voor het schatten van afstanden. In alle gevallen zal je er veel voormoeten oefenen. De beste oefeningen zijn die waarbij men in het veld loopt, de afstand schat tot bijv. eenboom of een ander voorwerp en dan de afstand controleert door deze uit te stappen, om de geschatteafstand te controleren.Het schieten van veel veldwedstrijden op onbekende afstanden draagt aanzienlijk bij tot het verkrijgenvan ervaring in het schatten van afstanden.Sommige schutters proberen op een gemakkelijke manier onder het schatten uit te komen door bepaaldeonderdelen van hun uitrusting als vergelijking op een voorwerp met een bekende afmetingen tegebruiken.Dit kan werken, maar dan alleen als je precies de afmetingen van het voorwerp (het doel of blazoen)weet. Veel topschutters beweren dat deze methode niet nauwkeurig genoeg is, andere beweren dat zeniet zonder deze methode kunnen.Onverschillig welke methode je wilt gebruiken, je zal moeten oefenen om zeker te zijn van je methode.Een advies is dan ook probeer alles uit en gebruik van alle methode een beetje. Let wel op het volgende.Conform de reglementen, mag men geen materialen gebruiken dat is “gemodificeerd” met als doelbehulpzaam te zijn bij het schatten van afstanden.

4.2 Hoe te voorkomen dat je in de maling wordt genomen bij het afstand schatten

 

Als men zich in een lichte omgeving bevindt en het doel in een donkereomgeving, zal men de afstand eerder te lang / ver inschattenAls men zich in een donkere omgeving bevindt met het doel in een lichtereomgeving, zal men de afstand eerder te kort inschatten

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer je op een open veld of over open water schiet kan hetvoorkomen dat men er op beide manieren “in tuint”, maar waarschijnlijkzal men de afstanden te kort inschatten.Als het doel geplaatst is in een “corridor” of een “gang” van bomen, zalmen de afstand waarschijnlijk te lang / ver inschatten

 

 

 

 

 

 

Als je over een vallei moet schieten, zal je de neiging hebben de afstand telang / ver in te schatten.Als je op een doel schiet waar het niet mogelijk is de grond de gehele wegnaar het doel te volgen, zal je de neiging hebben om de afstand te ver in teschatten.

 

 

 

 

 

 

  

Een benedenwaarts doel op een heuvel wordt meestal te ver ingeschat,zodat men waarschijnlijk een paar meter van de afstand moet halen.Probeer de horizontale afstand in te schatten. Dit zal meestal de juisteafstand het dichtst benaderen.Een opwaarts doel op een heuvel wordt meestal te kort ingeschat, zodat jeer waarschijnlijk een paar meter bij op moet tellen.Probeer ook hier de horizontale afstand in te schatten. Dit zal meestal dejuiste afstand het dichtst benaderen.

 

 

 

 

 

 

5 SCHATTEN OP GEVOEL

 

Met het schatten op gevoel wordt bedoeld dat men de verhoudingenleert schatten van de grootte van het doel in relatie tot de afstand. Omdit te bereiken moet men veel oefenenStel de verschillende groottes van dieren of blazoenen op verschillendeafstanden voor (begin met de maximum afstand) schiet op de doelenterwijl men gewend raakt aan hun grootte en controleer jevizierstanden.Fixeer de doelen in het veld, schat de afstand op “gevoel”. Schiet deze,of meet deze om te controleren of de afstand correct is ingeschat.Onthoud ten alle tijden de maximum afstand voor dat betreffende doel(je tuint er misschien in op de veldblazoenen, probeer te schatten,gebruik makend van de diameter van de spot in plaats van het geheleblazoen).

 

 

 

 

 

5.1 10 meter techniekLeer jezelf hoe lang / ver 10 meter is in verschillende typen van terrein.Vindt een punt in het terrein dat 10 meter van jou verwijderd is. Kijk hoevaak deze afstand tussen jezelf en het doel past. Tel bij of verminder deovergebleven afstand.Bedenk wel: als je de eerste 10 meter fout inschat deze misschatting elkekeer meegenomen wordt

 

 

 

 

 

5.2 Middelpunt methodeProbeer het middelpunt te vinden en schat de afstand naar dat punt. Verdubbeldan deze afstand.Onthoud: Als je de afstand tot het middelpunt verkeerd inschat, je een dubbelefout maakt.

 

 

 

 

 

Uil methode  Alhoewel deze methode in Nederland (haast) niet gebruikt wordt, isdeze methode vooral in gebruik Scandinavische landen.De uil methode is vooral nuttig als je niet in staat bent het terrein voorhet doel te overzien. Hierdoor zijn de 10 meter methode en demiddelpunt methode onbruikbaar. Allereerst schat je de afstand naareen voorwerp ergens tussen jou en het doel (een tak of eenomgevallen boom). Let op hoe dit voorwerp in lijn is met het doel, ofelk gedeelte van het doel. Verplaats je hoofd zijdelings en merk ophoe het voorwerp verplaatst relativerend naar het doel. Als het maareen klein stukje verplaatst zal de afstand tussen het voorwerp en hetdoel relatief klein zijn. Als het voorwerp verplaatst overeenkomstigmet je hoofdbeweging is het voorwerp halverwege en als hetvoorwerp meer verplaatst staat het voorwerp minder dan de helft vande afstand tot het doel.

 

 

 

 

De “optel” methode  Als men schiet in een aangelegd bos of langs een afzetting of omheining etc.,kan je de vaste tussenafstanden optellen.Ervaren veldschutters gebruiken een combinatie van alle methodes zoals zehier beschreven worden.Je zal alle informatie moeten verzamelen die er aanwezig is. Ook moet je eroog voor krijgen om uiteindelijk tot een goede afstand schatting te komen.

 

 

 

5.5  Meten van afstandenMet veel oefenen leer je de afstanden te “meten”. Compound schutters gebruiken bijv. de ring van hunscope om de hoeveelheid zicht te meten op het blazoen. Dit kan je ook doen door gebruik te maken vanje vizier, pijl of elk ander onderdeel van je boog. Een manier is om een blokje van 1 cm op een afstandvan 1 meter van je oog (0.9 cm op 90 cm van je oog). Dit houdt dan in dat elke gemeten cm op een kaart1 meter afstand vertegenwoordigd (bijv. van de zijkant van een 80cm blazoen tot het midden van deblazoen. Dus 5 * 8cm = 40 cm => afstand 40 meter).Neem notitie van het feit dat FITA uiteindelijk verbiedt dat men veranderingen aanbrengt aan deschuttersuitrusting, of modificaties met als doel het behulpzaam zijn bij het inschatten van afstanden. Menmag absoluut geen ruimtemeet instrument bij zich hebben en / of verrekijkers met ingebouwdeschaalverdeling op de lenzen.Normale wijze zal een ervaren veldschutter stukjes en beetjes van de genoemde methodes gebruiken,maar bij twijfel schat dan de langste afstand dat men denkt dat het is. Schat hierna de kortste afstand datje denkt dat het zou kunnen zijn. Neem het gemiddelde en te er iets bij op. Voorbeeld: langste afstand 50meter, kortste afstand 40 meter, gemiddelde 45 meter, uitkomst 47 meter. Gebruik dit alleen bij twijfel.

 

6 TIPS OM TE ONTHOUDEN

6.1Diversen Op dierblazoenen weet je de maximale afstand, onthoudt deze. Op dierblazoenen zijn de binnensteringen helderder voor je als de afstand korter is, maar je moet rekening houden met delichtomstandigheden.Op veldblazoenen zal de maat van 80cm en 60 cm blazoenen op bepaalde afstanden hetzelfde lijken.Men zal de schutter misleiden in het schatten van de afstand, vooral als men gebruik maakt van eenmeettechniek. Er zijn verschillende manieren om hierachter re proberen te komen.Let op de grootte van het blazoen t.o.v. van de lengte van een persoon uit de vorige groep. Als ze pijlentrekken en het blazoen is zo groot als het complete bovenbeen van de persoon, zal het hoogstwaarschijnlijk om een 80 cm blazoen gaan.Kijk met je kijker naar de inslagen in de spot, zijn het er relatief veel en lijken de gaatjes klein, zal het een80 cm kaart zijn. Anders om, relatief weinig gaatjes en lijkt het alsof er met dikke aluminium pijlen opgeschoten is, zal het een 60 cm kaart zijn.Als het “Van Drunen” blazoenen zijn en het logo (links onder) er gemakkelijk 1 maal in de breedte tussenhet logo en de buitenste ring past zal het een 80cm blazoen zijn, als het er net tussen kan zal het een60cm kaart zijn.Let op de dikte van de stramiet stroken. Als deze 5 cm zijn, zullen er dus 6 tot de helft van een 60cmblazoen passen.Let op de grootte van de targets. Soms blijven ze gelijk en kan je hier de grootte van een kaart uit halen.LET OP: Soms zet de parcours bouwer er dan ook wel eens een afwijkende maat tussen.Let op de grootte van de baannummerbordjes, soms is dit ook interessante info. Let hier ook op!Let op de tijd dat een pijl er over doet om het blazoen te raken. Een lange pijlvlucht is dus een ver doel.Opletten dus.Schrijf op welke formaat blazoenen je tegen bent gekomen. Er komen maar 3* 60cm en 3 * 80cmblazoenen op onbekend voor.Let op de hoogte van de pijlinslagen veen onderin, betekend dat het doel verder weg staat.Oefen het afstand bepalen, wanneer men een wandeling maakt. Kies een object en schat de afstand.Pas deze dan uit, om te kijken of deze goed was geschat.Onthoud dat doelen in een hoek t.o.v. jouw lijn van zicht staan (schuin staan dus), meestal kleiner lijken.Let hiermee op bij het afstand meten. Er zijn wel regels over de hoek waaronder een doel mag staan,maar let toch op.Oefen met het schieten op de spot en dan 5 meter dichterbij en verder weg te gaan staan met dezelfdevizierstand. Let op hoe de pijlen vallen en onthoudt hierbij dan dus de correctie factor voor 5 meterverkeerd schatten.

6.2 Berg op schieten

Bij een geringe helling bergopwaarts telt men 1 a 2 meter bij de bekende afstand (afhankelijk van deboog, typen pijlen etc.).Bij een steile hellingberg opwaarts verminder je de bekende afstand met 1 a 2 meter (idem).

6.3 Berg af schieten

Bij een geringe helling bergaf: verminder de bekende afstand met 1,2 a 3 meter, afhankelijk van je boogetc..Bij een zeer steile helling bergaf: verminder de bekende afstand met ongeveer 10 meter. Ook hier spelende spullen mee die je gebruikt. Bij bijna steil schieten zal je ervaring je moeten helpen. Wanneer je naarboven of naar beneden schiet op een berg, dan zijn zware (langzame) pijlen meer gevoelig voor deaantrekkingskracht van de aarde dan de lichte (snelle) pijlen.Onthoud dat wanneer men langs een heuvel / berg schiet, dat je de boogtop in de richting van de heuvel /berg kantelt. Dit voorkomt dat je van de heuvel / berg af gaat leunen (hou je vizier dus recht).Sommige schutters geven er een voorkeur aan om berg op / neerwaarts te schieten met een geslotenvoetenstand i.p.v. een open stand. Probeer beide uit en pas toe wat voor jou het beste is.Andere schutters zullen beweren dat zij geen meters optellen bij een LICHTE helling berg opwaarts, maarwel meters eraf halen bij een steile helling op of neerwaarts. Beoefen dit en trek je eigen conclusies.

6.4 Vizierafstanden

Wanneer men aan veldschieten doet zal men vizierafstanden moeten hebben voor elke 5 of 10 meter. Alsje, door welke reden dan ook, de afstanden niet kan inschieten voor een wedstrijd is er een figuur dat hetmogelijk maakt om alsnog de vizierafstanden te bepalen mits men de 20 of 30 meter en de 60 of 70meter vizierafstanden hebt. Gebaseerd op deze twee markeringspunten zal deze grafiek een adequatevizierstand voor de rest van de afstanden opleveren. Afstanden kleiner dan 20 meter kunnen op dezemanier niet bepaald worden. Voor compound zal de kortste vizierafstand ongeveer 25 meter zijn bij lichtesnelle carbon pijlen.

6.5 Weersomstandigheden

Zonlicht zal het richten beïnvloeden in zijwaartse richting, omdat het zonlicht de pees “verlicht” of op jerichtmiddelen komt vanuit verschillende richtingen, links, rechts, voor of achter. Oefen het schieten metde zon komend van verschillende standen en hoeken en leer hiervan de effecten en invloeden op hetrichten.Wind zal het richten en de pijlvlucht ook beïnvloeden. In tegenstelling tot doelschieten zal de windverschillend zijn bij ieder doel. Dit komt omdat de schutter zich verplaatst van doel tot doel. Ditzelfde geldnatuurlijk ook voor de lichtval. Leer jezelf aan dat je de boog “leunt” in de windrichting, ook afhankelijk vande windsterkte. Dit zal de afwijking van de pijlvlucht verminderen. Door deze methode verlies je niet hetcenter shot, iets dat wel gebeurt bij het steeds verstellen van je vizier. Veel ervaren schutters geven devoorkeur aan iets leunen of steken bij zijwaartse wind. Dit betekent dat zij min of meer naast de spotmikken. Als men schiet bij zeer sterke wind probeer dan knielend te schieten. Dit zal de lichaamsgrootteverkleinen t.o.v. de wind. Wanneer je je zijwaartse vizierafstelling steeds veranderd (wind) van doel totdoel, is het waarschijnlijk dat het licht er invloed op heeft. Hierdoor is de pees niet goed zichtbaar. Je kanhiervoor verschillende kleuren serving proberen en verschillende manieren uitlijnen oefenen.Compoundschutters kunnen verschillende peep-sights en scopes proberen. Zowel wind van voren alsvan achteren zal invloed hebben op de pijlvlucht. Ook regen heeft een grote invloed op de pijlvlucht. Nietalleen door de regen zelf, maar ook door een natte pees en pijlen. Beoefen dit op te weten wat de invloed.

6.6 Diversen 2

Kleding kan ook invloed hebben, train dan ook met kleding die je denkt aan te trekken. Bekijk wat voorjou lekker is. Sommige schutters geven de voorkeur aan wollen kleding i.p.v. een regenpak. Wol houd jewarm ook als het nat is. Je mag reglementen bij je dragen of delen ervan (doelafstanden). Je mag geengeschreven of elektronische aantekeningen bij je dragen die behulpzaam kunnen zijn met meten /schatten of richten (ook geen hoekmeter hellingen).Aantekeningen voor parcoursbouwersGebruik het terrein zoals het is en wees er zeker van dat de schutters die weglopen van het doel niet inde schietrichting lopen van de groepen die volgen. Plaats geen doelen in het directe verlengde vanelkaar.Doordat alle doelen gelijktijdig worden verschoten zal men ervoor moeten zorgen dat de wandel padenveilig zijn d.w.z. niet in de lijvlucht liggen en stevig en veilig zijn om te lopen.Een veldverschieting is een handboog competitie en geen marathon of bergbeklimmerswedstrijd. Trachthierom te voorkomen dat het gevaarlijk en moeilijk wordt om doelen te bereiken. Denk hierbij ook aan detoekomst van onze sport de aspirant en de jeugd.